Vanochtend las ik twee berichten. Claude zoekt een copywriter van vlees en bloed en Bregje Hofstede schreef in De Correspondent een vurig betoog over de waarde van taal. Én nog iets verwonderlijks: er lag een ijsje in mijn brievenbus.
De twee nieuwsberichten raakten dezelfde snaar: er is iets in ons wat AI niet kan.
Ik heb geprobeerd om ‘het’ te vangen. Afgelopen maanden ontleedde ik mijn eigen werkwijze: welke regels heb ik als ik schrijf? Waar let ik allemaal op als ik door mijn communicatiebril kijk? Mijn doel: van AI mijn plaatsvervanger maken.
Dat is niet gelukt. Wel zag ik tijdens het proces cruciale criteria omhoog komen. Daar maakte ik een kwaliteitstoets van. Het eindresultaat is geen schrijver, maar een AI-eindredacteur die me scherp houdt op mijn eigen visie en regels.
Alles wat functioneel is aan mijn werk is in een proces te vangen. Het deel waarmee ik mensen raak niet. Dat komt omdat ik niet als schrijver aanschuif, maar als mens met oprechte interesse.
En het wonderlijke na dit experiment: ik schrijf ‘opeens’ weer met pen en papier. Met meer plezier dan ooit.
Ik hoor veel mensen zeggen dat AI hun werk bedreigt. Dat snap ik. Maar AI bedreigt ons functioneren, niet ons mens-zijn. Wij zijn meer dan onze functies. Alleen zijn we onszelf gaan identificeren met ons werk, met functioneel en efficiënt zijn. Resultaatgericht werken is iets anders dan resultaatgericht zijn.
Misschien dwingt AI ons wel om te ontdekken wat we nog meer zijn. Er is een wereld naar de achtergrond geraakt: verbondenheid, je gezien voelen, dingen doen die (zogenaamd) nergens goed voor zijn. Ik juich het alleen maar toe als dat deel van ons mens-zijn weer aandacht krijgt.
Net als het ijsje in mijn brievenbus. Ik weet niet wie het erin heeft gestopt. Dat is het leuke. Iemand deed iets zonder reden en ik voelde me gezien.
Daar is geen automatisering voor nodig. Alleen een mens.